Dertien

Dertien november. Voor iemand met een fobie voor het getal dertien is dit een slechte dag voor een horrorfeest in een oud kasteel waarvan de kasteelheer dertien jaar geleden op mysterieuze wijze stierf. Toch laat ik mij niet tegenhouden; dit zijn de feesten waar je als twintigjarige bij wilt zijn. Ik ben een half uur te vroeg als ik arriveer op de parkeerplaats waar ik met mijn vrienden heb afgesproken. ‘Laat ik alvast wat rondkijken,’ besluit ik. Het kasteel torent boven me uit. Schijnwerpers belichten de oude muren en maken het kasteel nog imposanter dan ik had gedacht. De enorme ophaalbrug intrigeert me. Ooit diende deze om indringers buiten te houden. Vreemd genoeg geeft het nu een geruststellend gevoel. De grote deuren van het kasteel staan op een kier. ‘Zal ik…?’ fluister ik tegen mezelf. Voor ik het weet loop ik over de ophaalbrug. En ineens sta ik ín een kasteel, voor het eerst in mijn leven. De entreehal is groot en donker, met vier muren en slechts één andere deur. ‘Een perfecte setting voor een horrorfeest,’ bedenk ik me. 'Wat als ik die deur open en een kijkje neem?', vervolgt het door mijn hoofd. Ik dus voorzichtig tegen de deur. Met een krakend geluid gaat deze open. Erachter ontdek ik een toren met een smalle wenteltrap. Mijn hart bonst. Maar ik besluit dat het geen kwaad kan als ik mezelf een korte rondleiding geef. Voorzichtig zet ik mijn voeten op de stenen treden. Voor de zekerheid sla ik de dertiende over. Boven wacht weer een deur. Daarachter bevindt zich een lange gang. Aan de muren hangen grote schilderijen. Ik probeer niet te tellen, maar mijn ogen volgen automatisch: 'tien links, drie rechts'. 'Dertien'. Mijn maag draait om. Het is alsof de ogen van de portretten me volgen. Een koude rilling loopt over mijn rug. Een onheilspellend gevoel kruipt over me heen. 'Ik ben alleen in een kasteel, omringd door dertien schilderijen'. Ik denk terug aan die nacht dat ik bij mijn opa en oma sliep en ik de klok om middernacht niet twaalf maar dertien keer hoorde slaan. Buiten klinken knallen. Dat zijn de openingsknallen van het feest. Na de dertiende knal valt een ijzige stilte. Mijn tanden bijt ik hard op elkaar. De pijn trekt door mijn kaken. Rechts van me is een deur, met daarachter weer een trap. 'Die trap af en ik sta buiten', beloof ik mezelf. Door de paniek die me zojuist is overvallen, ben ik niet alert. Ik stap op de dertiende trede. De deur die ik voor de zekerheid op een kier had gelaten, klapt achter me dicht. Daar sta ik. Opgesloten in een donkere toren. Op een plek waar ik mijn fobie had willen overwinnen. Niets voelt nog goed. Ik besef dat ik hier weg moet. 'Wat is dat?'. Een fel licht. Het verblindt me. 'Was het verhaal niet dat op de avond dat de kasteelheer overleed, er een fel wit licht boven het kasteel hing?'. Ik vlucht de trap verder af en kom bij een uitgang. Nog voordat ik adem kan halen, schijnt alweer een licht in mijn gezicht. ‘Hé jij!’, klinkt een mannenstem. Ik verstijf opnieuw. ‘Hoe kan het dat jij al binnen was?’, vervolgt hij nors. ‘De deuren gaan pas om dertien over open’. ‘Dertien!’, is het enige dat ik nog hoor. Ik ren naar mijn fiets en fiets zo hard als ik kan weg. Wanneer ik omkijk, zie ik het kasteel in de schemering staan. Achter één van de bovenste ramen flitst een fel wit licht. Eén ding is zeker; deze plek spookt. Ik kom hier nooit meer terug.

Populaire posts van deze blog

Meisjesdromen

Goede vraag

Air Crash Investigation